Zoete dood - Deel III
Ondanks de weersvoorspellingen, die nauwelijks een opklaring beloofden,
was het een mooie zonnige namiddag. Al kon Lenders, ondergedompeld in de
moord op Tamar Verlinden, er niet echt van genieten. Hij had het gevoel
dat hij ergens een belangrijk detail over het hoofd had gezien maar kon er
de vinger niet opleggen. Ook van Tanja’s bezoek aan Rico Delgado waren
ze niet veel wijzer geworden. Voor de zoveelste keer sloeg hij het pv open
en hij zuchtte.
"Woensdag 26 juni 2002, 10.30 uur, verhoor van de genaamde D’Hondt
Jessica, wonende Ernest Claeslaan 9 te Lint, België, als studente
tijdelijk residerend Herestraat 16 bus 5, te Leuven, België, in het kader
van het onderzoek naar het verdacht overlijden van Verlinden, Tamar."
Raf Lenders scandeerde de woorden in de recorder die in het midden van een
wankele tafel stond. Toonloos en even kleurloos als de kale verhoorkamer
van het gebouw van de gerechtelijke afdeling van de federale politie aan
de Leuvense Parkstraat. Hij keek op.
‘Juffrouw D’Hondt,’ zei hij, terwijl hij het meisje vriendelijk,
haast vaderlijk, aankeek. ‘Mag ik u nogmaals bedanken voor uw komst.
Zoals gezegd is deze ondervraging louter bedoeld om meer informatie te
verkrijgen over het overlijden van uw vriendin, en de gebeurtenissen die
daar mogelijk aanleiding toe hebben gegeven.’
Lenders schraapte de keel toen hij zichzelf betrapte op het
ambtenarenjargon en de standaardformuleringen, die de afstand tussen
ondervrager en ondervraagde alleen maar vergrootten. Jessica D’Hondt
onderging het gebeuren. Roerloos en emotieloos, alsof ze een wassen beeld
was.
‘Ik wil maar stellen, juffrouw D’Hondt, dat u van niks verdacht wordt,
en nog minder van iets beschuldigd wordt. U bent hier als getuige. Een
heel belangrijke getuige want u heeft Tamar het laatst gezien, begrijpt u,
Jessica ? Is het goed als ik je bij de voornaam noem?’
Jessica knikte maar zweeg. Lenders besloot om voluit voor de jij-vorm te
kiezen om een vertrouwelijker sfeer te scheppen.
‘Jessica, heb jij er een idee van wie er een sleutel had van Tamars kot?’
Het meisje dacht een ogenblik na.
‘Behalve Tamar zelf en haar hospita kan ik niemand bedenken. Ja, Rico
heeft er een gehad. Eén die ze speciaal voor hem had laten bijmaken maar
die heeft hij teruggegeven toen het uit was.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Tamar heeft het me zelf gezegd.’
‘Zou het niet kunnen dat Rico er stiekem een dubbel van heeft laten
maken voor hij ‘m teruggaf?’
‘Hij heeft verschillende keren op de deur staan bonken. De hospita heeft
hem moeten wegsturen met de dreiging dat ze de politie zou bellen. Dat zou
hij toch niet gedaan hebben als hij nog een sleutel had?’
‘Nee, dat denk ik ook niet,’ mompelde Lenders. ‘Toch heb je Rico
genoemd als mogelijke verdachte. De laatste keer dat we elkaar spraken.
Waarom?’
‘Wie anders kan het gedaan hebben?’ zei Jessica toonloos. ‘Je had
hem moeten zien toen ze het uitgemaakt had. Compleet over zijn toeren. Hij
kon haar maar niet met rust laten. Stond dikwijls urenlang aan de overkant
van de straat te wachten. Gewoon geschift.’
‘Jessica ! Alsjeblieft. Hij beschuldigt jou en jij beschuldigt hem. Zo
raken we geen stap verder ! Rico beweert dat jullie een lesbische relatie
hadden ! En dat je jaloers geworden bent.’ De woorden denderden door het
kleine kamertje. Jessica D’Hondt keek Lenders verschrikt aan. Ze werd
bleek en het leek of ze elk moment kon instorten. Lenders zag zijn blunder
in.
‘Sorry. Jessica.’
Het bleef doodstil. Zo stil dat je het gezoem van de recorder kon horen.
‘Rico is onschuldig.’
Raf Lenders, die zichzelf verfoeide omdat hij dat meisje zo hard en
gevoelloos aanpakte, was danig geschrokken van die woorden. Hij kruiste
onhandig zijn benen en wist zichzelf geen houding te geven.
‘Had Tamar iemand anders?’
Jessica schuifelde nerveus op haar stoel en sloeg de ogen neer.
‘Jessica?’
Het mollige meisje bleef seconden lang onbeweeglijk zitten, slikte enkele
keren en opende dan haar mond.
‘Ze had stiekem contact met... een oudere man.’
Lenders voelde zijn hoofdhuid samentrekken. De missing link, dacht hij.
Dat ene element dat mogelijk voor een kentering in het dossier kan zorgen.
‘Ken jij die man?’
‘Niet zijn naam.’
‘Waarom heb je dat niet eerder verteld ?’ klonk het bot.
Weer volgde een onheilspellende stilte.
‘Jessica, je beste vriendin is om het leven gebracht. Vermoord. Wil jij
niet dat diegene die daarvoor verantwoordelijk is gestraft wordt ?’
‘Natuurlijk, maar het is moeilijk …’
‘Wat maakt het zo moeilijk, Jessica ?’ Lenders onderdrukte zijn
nieuwsgierigheid en schakelde over op zijn vaderlijke toon.
‘Kan dit strikt onder ons blijven, mijnheer?" vroeg Jessica. Ze
keek schichtig naar de recorder. Lenders zette hem uit.
‘Tamar had al enkele maanden contact met die man. Een zuiders type, ik
schat hem tussen de veertig en de vijftig. Alleszins veel te oud voor
haar. Maar zij was geobsedeerd door die man. Ik heb haar proberen
duidelijk te maken dat die vent niks voor haar was maar een dag later al
stond die kerel mij op te wachten aan de fietsenstalling van Gasthuisberg,
waar ik stage loop. Hij bedreigde me en zei dat hij me zou vermoorden als
ik hem nog ooit zwart zou maken bij Tamar…’ Ze slikte en ondanks de
koele temperatuur in het verhoorlokaal parelden er kleine zweetdruppeltjes
op Jessica’s voorhoofd.
‘Sindsdien ben ik nooit meer gerust. Hij duikt op de meest onverwachte
plaatsen op en jaagt mij de stuipen op het lijf. Eén keer heeft hij
geprobeerd me te ver… lastig te vallen, maar ik ben op tijd kunnen
wegraken.’
‘Is het mogelijk dat die man een sleutel had van Tamars kot?’
‘Kan zijn, maar ik denk het niet. Tamar sprak altijd stiekem ergens met
hem af, meestal nadat hij haar op haar gsm opbelde."
‘Zou je ons kunnen helpen met het maken van een robotfoto van die man?’
vroeg Lenders.
Jessica aarzelde.
‘Dat is niet nodig, inspecteur… maar alsjeblief, zorg dat hij niet te
weten komt dat dit van mij komt.’
‘Niet nodig ?’
‘Hij staat op de foto’s uit Honduras. Het is Fernando, Tamars
stiefvader.’
Minutenlang bleef het doodstil in de kamer.
Raf Lenders sloeg onbeholpen zijn arm om Jessica’s schouder.
‘Ze...ze had die avond, de avond dat we een feestje hadden, een afspraak
met hem. Niet met Rico. Ik heb haar gezien met Fernando. Haar stiefvader.’
‘Inspecteur Lenders, kan ik u even spreken?’ De metalige stem van
Tanja klonk door de intercom. Lenders wist dat ze hen door het spiegelraam
in de gaten hield. Hij stak zijn hand op als teken dat ze nog even moest
wachten. Het enige wat Raf Lenders nog kon bedenken, was: ‘Je moet niet
bang zijn, Jessica.’
Jessica knikte en stond recht. Lenders hield de deur voor haar open en
wees haar de weg naar de hoofduitgang. Tanja stond hem met een fax op te
wachten.
De fax van de Hondurese Policía Investigador Nacional was opgesteld in
slecht Engels. Lenders herlas hem verschillende keren.
"Christina Horemans (BEL), arrive in Honduras 12 january 2002
together with Alonzo Fernandez alias Fernando Palmira (HON), born in Copan
Ruinas (HON) 9 november 1956, a businessman with a criminal record quite
long. He fled to Belgium in october 1999, after conviction to 15 years in
prison for murder. He is to be known extremely violent. Christina Horemans
file a complaint for sexual abuse with Copan Ruinas local police 26 march
2002. She return to Belgium 16 april 2002 via Mexico. Fernandez follow her
3 days later."
Raf Lenders beet op zijn onderlip en kneep zijn ogen stijf dicht. Een
overvloed aan ideeën. Ze overspoelden zijn brein, tot één helder idee
overbleef. Tanja herkende de symptomen en wist dat alles nu in een
stroomversnelling zou terechtkomen. De anders zo rustige en bedaarde
Lenders schakelde een versnelling hoger en Tanja verheugde zich stiekem op
een onvoorspelbare maar ongetwijfeld boeiende dag.
‘Verdomme, de moeder,’ prevelde Lenders. ‘Kom op. We hebben een hoop
werk te doen.’
Op het scherm van de centrale computer verscheen een adres in Molenbeek.
De huidige verblijfplaats van Christina Horemans, moeder van Tamar
Verlinden. Herman De Winter belde zijn Leuvense collega Lenders op. Ze
kenden elkaar nog van voor de politiehervorming, toen ze beiden deel
uitmaakten van de Brusselse BOB. Lenders had zijn kans gegrepen en had
zijn overplaatsing naar het rustigere Leuven aangevraagd. Daar waren
minder herinneringen aan zijn overleden vrouw. Daar kon hij een ander
leven beginnen. De Winter had promotie gemaakt bij de gerechtelijke
politie in Brussel.
‘Raf, w’ ‘ebben ‘eur gevonne,’ zei De Winter met een Brussels
accent . ‘Z’es van veurige weeik in ‘t Erasmus. En wette wa menne. Z’
‘eid aids. We ‘ebben een klapke mè ‘eur gedoan. Ik peins dat ’t
de moeite is om ne kier af te koume. Ze zeeit da z ‘eur dochter ei
vermoerd.’
Christina Horemans voelde de onrust van de laatste weken verdwijnen, nadat
de politie-inspecteur en zijn jonge vrouwelijke collega de ziekenhuiskamer
hadden verlaten. Aan de deur hielden twee agenten de wacht. Ze schikte
zich in haar lot. Het was goed zo. Zij kon leven met de dochtermoord en
nam er de volle verantwoordelijkheid voor op. Met Tamars dood ontnam ze
Fernando het laatste wapen om haar te treffen en tegelijkertijd zorgde ze
er voor dat Tamar niet dezelfde lijdensweg hoefde te ondergaan als
zijzelf. Een ziekte die een mens niet alleen fysiek aftakelt, maar die hem
tevens als een melaatse buiten de maatschappij zet. Christina was immers
zoals zovelen slachtoffer van de vooroordelen die over AIDS nog steeds de
ronde doen, ondanks alle overheidscampagnes. Dat Tamar ondertussen besmet
was, stond voor haar vast. Fernando had al meer meisjes willens en wetens
besmet. Puur uit frustratie.
Wat ze gedaan had, was goed, dacht ze.
Jessica D’Hondt lag op bed toen de telefoon rinkelde. Ze had zich ziek
gemeld op de afdeling Prenatale in Gasthuisberg waar ze stage liep. Ze
voelde zich sinds het verhoor bij de gerechtelijke politie misselijk en
bang. Vannacht had ze haast niet geslapen. Ze nam de hoorn van de haak.
‘Jessica D’Hondt.’
‘Goeiedag. Inspecteur Lenders hier.’
Er liep een rilling over haar schouderbladen.
‘Jessica ?’
‘Ja... jaja, zegt u het maar.’
‘Jessica, ik bel je om je te zeggen dat de zaak rond is. Ik mag
natuurlijk niet in detail treden maar om je gerust te stellen kan ik je
zeggen dat de man die je bedreigde ondertussen is aangehouden en aan
Honduras zal worden uitgeleverd. Hij moet daar nog een lange
gevangenisstraf uitzitten. Hij heeft Tamar niet vermoord, al gaat hij niet
helemaal vrijuit. Enfin, we weten ondertussen wie de dader is.’
Toen Lenders dat laatste zei, leken de wanden van de kamer te tollen.
Jessica braakte en voelde ze een barstende hoofdpijn opkomen maar zweeg.
‘Jessica ?’
‘Jessica, ben je er nog ?’
‘Ja... jaja...’
‘Wel. Ik wilde het je zelf vertellen want de volgende dagen zal het
ongetwijfeld toch breed in de pers worden uitgesmeerd. ’t Is haar moeder
geweest, die Tamar heeft omgebracht met een intraveneuze inspuiting van
een geneesmiddel dat enkel intramusculair mag toegediend worden, en dan
enkel nog bij suikerzieken. De sleutel heeft ze uit Fernando’s
hotelkamer gestolen en later weggegooid. Een onwaarschijnlijk verhaal maar
jammer genoeg de waarheid. Ze heeft bekend, en ze is zonet door de
onderzoeksrechter officieel in beschuldiging gesteld. Juffrouw D’Hondt ?
Jessica ?’
De hoorn kletterde tegen het bijzettafeltje. Jessica D’Hondt ging weer
op bed liggen terwijl ze duizelde van verwarring. In een poging orde in de
chaos te scheppen, overdacht ze die fatale avond, nu precies twee weken
geleden.
Ze was bij Tamar op kot geweest, en ze hadden samen enkele glazen porto
gedronken – hun lievelingsdrank, waarvan Tamar altijd een kleine
voorraad op haar kot had staan. Ze was omstreeks negen uur bij het
verlaten van Tamars kot aangesproken door een vrouw, die zich voorstelde
als Christina Horemans, Tamars moeder. Ze had een vaalbleke huid,
ingevallen wangen en zag er veel ouder uit dan ze in werkelijkheid moet
zijn geweest. Ze had Tamar en Jessica blijkbaar al weken in de gaten
gehouden en daaruit geconcludeerd dat ze goeie vriendinnen waren. Ze
vertelde ronduit over hoe ze geprobeerd had om haar dochter te spreken,
maar dat die helemaal niets met haar te maken wilde hebben. En dat ze een
relatie had gehad met, Fernando, een Hondurese man, die niet alleen
extreem gewelddadig bleek te zijn, maar tevens "een besmettelijke
ziekte" had, waarvan ze de naam niet over haar lippen kreeg.
Nadat Tamars moeder een einde had gemaakt aan de uitzichtloze relatie, was
ze teruggekeerd naar België. Maar de man was haar gevolgd. Om haar te
straffen had hij zijn Latijnse charme gebruikt en had hij Tamar verleid.
En Jessica wist waarover de vrouw het had want Tamar had haar verteld dat
Fernando "een hengst was als ’t op sex aan kwam" en dat zij
het heel vaak met hem gedaan had. In het begin had Jessica leedvermaak
gevoeld want die idioot van een Rico stond eindelijk buitenspel. Dat met
die ‘ouwe’ zou wel overwaaien. Maar ze had de bal mis geslagen want
Tamar had zelfs haar gsm in het Spaans geprogrammeerd voor hem. Dat had ze
voor Rico nooit gedaan. Jessica slikte toen ze de jaloersheid weer voelde
opborrelen. Een tweede keer opzij gezet. De sexuele toenaderingen tot
Tamar. De frustratie. Het kwam allemaal weer bovendrijven. Haar gevoelens
voor Tamar waren nooit helemaal verdwenen. Ze probeerde zich weer op het
gesprek met Tamars moeder te concentreren.
De man, Fernando, had Tamars moeder laten weten dat hij met haar dochter
een intensieve sexuele relatie onderhield. Tamars moeder was de instorting
nabij. Ze ‘moest’ morgenvroeg dringend in het Erasmusziekenhuis in
Brussel opgenomen worden voor een hele reeks van testen en een eerste
behandeling. Maar, zo zei ze, een spuitje met het geneesmiddel Actrapid
zou het uitbreken van de geheimzinnige ziekte kunnen verhinderen. Voor
haar was het nu te laat. Maar niet voor Tamar. Alleen moest ze iemand
vinden die Tamar wilde inspuiten. Want Tamar verfoeide haar.
Jessica, net als Tamar eerstejaars studente verpleegkunde, had nog nooit
van dat geneesmiddel gehoord. Het verhaal leek haar heel geloofwaardig, en
tenslotte heeft een moeder toch altijd het beste voor met haar dochter?
Tamars moeder drukte een ampoule, een spuitje en een steriele naald in
Jessica’s handen, en drukte erop dat het medicament intraveneus moest
worden ingespoten.
Ze was nog dezelfde nacht naar Tamars kot teruggegaan met de sleutel die
ze van Tamar had gekregen, nadat Rico hem terugbezorgd had. Zo hoefde ze
niet aan te bellen. Ze herinnerde zich nog haar verbazing over haar eigen
kalmte. De kleine kamer baadde in het helgroene neonlicht van de
lichtreclame van de supermarkt aan de overkant van de straat. Tamar sliep
aangekleed op het bed. Ze rook sterk naar de porto, waarvan ze duidelijk
nog had gedronken nadat Jessica enkele uren eerder vertrokken was, want de
fles was nu leeg. Wellicht beter zo, want ze wist uit ervaring dat ze, als
het over haar Hondurese geliefde ging, niet voor rede vatbaar was. Rustig
zoog Jessica de medicatie in de spuit. Ze vond een lichtjes gezwollen ader
op Tamars pols, haalde diep adem en drukte de naald voorzichtig in de
ader. Tamar had de ogen verdwaasd geopend en Jessica had haar sussend met
de linkerhand door haar haren gestreeld terwijl ze met haar rechter de
medicatie inspoot. De lege fles, de ampoule en de spuit nam ze mee, en ze
deed de deur van Tamars kot op slot, zoals Tamar het zelf altijd deed voor
ze ging slapen. Voorgoed... slapen.
Jessica D’Hondt braakte en liep naar de badkamer. De sleutel van Tamars
kot, die ze de hele tijd in haar handen gehouden had rinkelde in de
wc-pot. Ze ging over de wc hangen en probeerde te kotsen. Ze wilde haar
hele lichaam uitkotsen. Ze spuwde de zure maagsappen uit en haalde
vertwijfeld haar handen door haar druipnatte haren.
‘Het was geen vreemde ziekte. Het was aids... en... moord.’
Dikke tranen biggelden langs haar wangen. Het drong plotseling in alle
hevigheid tot haar door dat zij zonder het te beseffen haar beste vriendin
had vermoord. Tamars moeder nam de verantwoordelijkheid volledig op zich
maar ofschoon ze zelf buiten schot bleef, besefte Jessica D’Hondt
glashelder dat ze door het telefoontje van inspecteur Lenders levenslang
gekregen had.
|